Mat. 10:8 en parallelle passages in de Evangeliën
Opdracht voor deze tijd?

De bekende W.J. Ouweneel wijdde een boek aan genezingsbediening: ‘Geneest de zieken!’ (Medema, 2003). Ook Peter Horrobin schreef over deze materie en het boek werd vertaald: ‘Genezing en bevrijding’ (Boekencentrum, 2011). Recent verscheen het boek van Jan Minderhout onder gelijkluidende titel (Buijten & Schipperheijn, 2019) en dat van Wilkin van de Kamp ‘Bevrijding en genezing’ (Stichting Vrij zijn, 2019).  Er zijn natuurlijk heel wat meer boeken te noemen, met name uit charismatische hoek, die dit dus als een opdracht voor deze tijd zien. Ook zou gewezen kunnen worden op conferenties als ‘There is more’, etc.

In Mat. 10 roept de Heer Jezus zijn twaalf discipelen bij Zich en geeft ze “macht over onreine geesten om ze uit te drijven en elke(!) ziekte en elke(!) kwaal te genezen”, vers 1. Vergelijk parallelle passages: Mark. 3:15; 6:7-13, Luk. 9:1-6; 10:1-12. In Luk. 9:1 lezen we dan ook nog over kracht en macht (gezag, bevoegdheid, autoriteit) over “ alle(!) demonen”.  Ze krijgen verder de instructie -we gaan weer naar Mat. 10- om niet naar de volken en Samaritanen te gaan (vers 5), maar naar de verloren schapen van het huis van Israël en te prediken dat het koninkrijk der hemelen nabij is gekomen (vers 7).
N.B.: ook staat er niet in Mat. 10:8 “Geneest de zieken”, maar “Geneest zieken”. Wel een verschil!

Dat koninkrijk was het in het O.T. beloofde Vrederijk. Ze moesten volharden tot het einde (vers 22) en de Heer stelde: “voorwaar, Ik zeg u: u zult met de steden van Israël geenszins zijn klaargekomen voordat de Zoon des mensen komt”, vers 23.
Is er nu iets niet uitgekomen van wat de Heer had voorzegd? Nee, maar het koninkrijk in heerlijkheid is opgeschort en de prediking ervan zal worden hervat in de eindtijd. De koning werd verworpen en het koninkrijk, in die (voorzegde) vorm, voor een tijd ingetrokken. Daarom kunnen we verderop in Mat. 16:20 lezen: “Toen verbood Hij zijn discipelen, dat zij iemand zouden zeggen dat Hij de Christus was” en begint de Heer Jezus in het volgende vers hun te tonen dat Hij moest lijden, gedood worden en op de derde dag worden opgewekt.   

Eerder in genoemd hoofdstuk 16 had de Heer, naar aanleiding van de belijdenis van Petrus: “U bent de Christus, de Zoon van de levende God” (vers 16), aangekondigd dat Hij zijn gemeente zou gaan bouwen. Dát werk vindt nu, in deze tussentijd, plaats. In hoofdstuk 13 had de Heer Jezus al aangegeven -in een zevental gelijkenissen- dat het koninkrijk een andere vorm zou gaan aannemen in die tussentijd. Het Woord zou in de wereld worden gezaaid etc. en elders in Mat. lezen we: “Want het is als een mens die buitenlands ging en zijn eigen slaven riep en hun zijn bezittingen toevertrouwde”, 25:14.
Vergelijk Luk. 19:11+12: “Toen zij nu dit hoorden, sprak Hij bovendien een gelijkenis uit, omdat Hij dicht bij Jeruzalem was en zij meenden dat het koninkrijk van God onmiddellijk openbaar zou worden. Hij zei dan: Een man van hoge geboorte reisde naar een ver land om voor zich een koninkrijk te ontvangen en terug te keren. Hij nu riep zijn tien slaven en gaf hun tien ponden en zei tot hen: Doet zaken totdat ik kom.

Zo is dus het voorzegde koninkrijk nog niet aangebroken, maar toch is er hier en nu een koninkrijk der hemelen. Wél was het, zogezegd, een ander soort koninkrijk: “maar nu is mijn koninkrijk niet van hier”, Joh. 18:36 en waar binnen de Heer zijn gemeente aan het bouwen is.

Als we het N.T. goed lezen vinden we dus dat:
 a) het koninkrijk er nu is gekomen in een verborgen vorm, dat wil zeggen in een vorm welke niet was voorzegd in het O.T.: “van de grondlegging <van [de] wereld> af verborgen”, Mat. 13:35 en
b) de gemeente wordt in deze tijd gevormd, wat eveneens een verborgenheid was in het O.T. (zie bijvoorbeeld Ef. 3:1-13).

We zien dus dat er nogal het een en ander is veranderd sinds Mat. 10 en dat brengt ook met zich mee dat de huidige opdracht en boodschap is veranderd!
De apostelen werden de grondleggers van de gemeente, na de dood, opstanding en verheerlijking van de Heer Jezus. Hun boodschap was te prediken: “in Zijn Naam bekering tot vergeving van zonden aan alle volken, te beginnen bij Jeruzalem”. Zij waren getuigen van de Heer Jezus, van Zijn leven, dood en opstanding en zouden daartoe bekleed worden met kracht uit de hoogte, Luk. 24:45-49. Dit was een wezenlijk andere opdracht en boodschap!

Zeker spraken ze ook over het Vrederijk wat zou komen, maar maakten eveneens duidelijk dat de gelovigen nu gered (of behouden) waren “uit de macht van de duisternis en overgebracht in het koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde, in Wie wij de verlossing hebben, de vergeving van de zonden”, Kol. 1:13,14. Ze spraken dus over de (toe)komst van het koninkrijk in macht en heerlijkheid én over het koninkrijk zoals dat nu gestalte had gekregen.
Het is hier niet de bedoeling om op allerlei zaken dieper in te gaan, maar om toch die hoofdlijn duidelijk proberen te maken voor de lezer.

Als men zich nu op de prediking waarlijk bekeert, wordt men dus daadwerkelijk verlost uit de macht van Satan. Genezing is niet inbegrepen bij de boodschap, wat weer niet wil zeggen dat we niet mogen bidden voor onze zieken en God in Zijn vrijmacht niet kan genezen in deze tussentijd!
Het gaat dus nu om de verkondiging van het evangelie van Gods genade en niet meer om de aankondiging en verkondiging van het evangelie van het koninkrijk (in heerlijkheid). Het koninkrijk wordt in deze bedeling als gekomen beschouwd in z’n verborgen vorm en natuurlijk blijft er de verwachting van de komst van Christus voor de gelovigen (opname van de gelovigen) en tevens de wederkomst Zijn koninkrijk hier in macht en heerlijkheid, wat (na Daniëls laatste jaarweek) zal worden opgericht. Zoals geschreven kunnen we niet op deze aspecten gaan uitweiden.

We moeten dus niet met de verkeerde opdracht bezig zijn, daar onze energie aan geven! De Heer wil de gelovigen nu kracht geven om vrijmoedig van Hem te getuigen in deze wereld, die zucht onder de macht van de zonde en satan!
Helaas kunnen we, bijvoorbeeld, zien dat men vaak allerlei zaken demoniseert, overal demonen achter ziet. Hierachter moeten we de list van Gods tegenspeler zien. Mensen moeten zich bekeren, vergeving en de Heilige Geest ontvangen en zijn niet alleen maar slachtoffers van Satan! Ook is de zonde niet door satan in de wereld gekomen, maar door de ongehoorzaamheid van de mens.
Zo schrijft dr. A.A. Teeuw dan ook terecht in een recensie over het boek van Horrobin: “Waar de Bijbel voortdurend oproept tot bekering, pleit Horrobin vaker voor bevrijdingspastoraat” (Reformatorisch Dagblad, 25-04-2012).

Het is niet zo dat als we ons hebben bekeerd en hebben geloofd in de Heer Jezus en Zijn werk op het kruis we óók nog eens bevrijdingspastoraat (en genezing) nodig zouden hebben. Dat is duidelijk een ander evangelie! Een door elkaar halen van zaken welke we behoren te onderscheiden!
Typerend voor het boek van Horrobin is dan ook dat hij sterk gekant is tegen aanhangers van de bedelingenleer! In bovenstaand hebben we duidelijk aangegeven – vanuit de Schrift – dat we een verschil van bedeling kunnen en moeten onderscheiden. Als we dat niet doen zullen we in verkeerde praktijken vervallen! En dat onderscheiden van bepaalde zaken in de Schrift, bijvoorbeeld het onderscheid tussen Israël en de gemeente, is eenvoudig wat men met de term bedelingenleer aan wil geven. Zo behoren we eveneens te onderscheiden tussen Israëls periode zonder wet en haar periode onder de wet, sinds Sinaï. Er zijn meerdere bedelingenschema’s denkbaar, maar dat is het punt niet. Het Bijbelse belang ervan is dat we bepaalde perioden, bedelingen in de Schrift, met een eigen, typerende huishouding (oikonomia), niet door elkaar moeten halen.

Wat genezing aangaat is de conclusie van het boek van Ouweneel: christenen hoeven niet ziek te zijn en hoeven er niet in te berusten als ze ziek zijn. Het is niet waar, maar tot zo’n conclusie kun je dus vervallen als je Gods Woord niet recht snijdt!
Wel moeten we erop wijzen dat er christenen zijn met ultra-dispensationalistische[1] leringen, met eveneens onbijbelse conclusies! Er is nogal wat te koop in de tijd, de vooravond van de eindtijd, Daniëls laatste jaarweek van zeven jaar, welke nog moet worden vervuld.
Ook ziet men in charismatische kring nogal eens demonen achter ziekten en vinden we dus weer het demoniseren van zaken. Niet dat er zo’n verband niet zou kunnen bestaan, maar dat is niet ons punt nu.
De Zoon moet ons vrijmaken en dit gebeurt als we ons waarachtig bekeren, ons tot Hem keren, tot Hem gaan, in Hem geloven tot vergeving van al onze zonden en daarop worden verzegeld met de Heilige Geest.

Het is zeker waar dat de apostelen ook na de Pinksterdag wonderen hebben verricht, maar dat was ter bevestiging van hun nieuwe boodschap! We lezen dan ook meerdere malen over de tekenen en wonderen welke door de apostelen werden verricht en worden aangeduid als tekenen en wonderen van een apostel! Het is dan ook duidelijk dat juist zij daardoor gekenmerkt werden, hoewel we tevens lezen van wonderen en tekenen bij andere gelovigen in die tijd. Die bijzondere begintijd van de gemeente.
We lezen in Hebr. 2:3,4 over “zo’n grote behoudenis…, waarover aanvankelijk gesproken is door de Heer en die aan ons bevestigd is door hen die het gehoord hebben, terwijl God bovendien meegetuigde zowel door tekenen als wonderen en allerlei krachten en uitdelingen van de Heilige Geest naar zijn wil.” Hier lezen we dus over de behoudenis waarover de Heer Jezus had gesproken met de apostelen en die het weer hebben bevestigd aan de gelovigen en dat God bovendien (bij hen!) meegetuigde door tekenen en wonderen etc. Dit sluit naadloos aan bij wat we in Mark. 16:15-20 lezen en wat in die begintijd z’n vervulling heeft gekregen!

Zeker, er gebeuren ook nu nog wel wonderbaarlijke genezingen door het gebed van de gelovigen, maar er is een mega verschil tussen wat er nu gebeurt en in de apostolische tijd! Veel charismatici geloven anders en vervallen daardoor in heel kwalijke leringen (o.a. dus: we hoeven niet meer ziek te zijn) en praktijken. Je leest nogal eens: “soms zijn er mensen die niet genezen”. Dan is het duidelijk wat voor bril men op heeft en dat die een wel zeer vertekend beeld geeft, want het is helemaal niet ‘soms’… Genezingen vind je juist sporadisch. Echte genezingen, die eveneens blijvend zijn. Gezondheid is nu het doel niet, maar of je een nieuwe schepping bent!

Op veel ‘wanordelijke zaken’ gaan we niet verder in en er is genoeg geschreven door anderen, die hetzelfde standpunt huldigen. We geven hier de grote lijn aan en die is dat de opdracht van de twaalf en zeventig in de evangeliën een andere is dan wij nu hebben. Het gaat er nu om dat een gelovige “in Christus” is, in nieuwheid des levens wandelt en door het werk van de Heilige Geest steeds meer op de Heer Jezus gaat lijken.

Zo moeten we bijvoorbeeld inzien dat als het in Mat. 24:14 gaat over “dit evangelie van het koninkrijk” het gaat over de toekomstige prediking van het nog komende koninkrijk in macht en heerlijkheid. En dat dit dus werd gepredikt door Johannes de Doper, Christus en de apostelen en dat het weer –na de opname van de gemeente- zal worden gepredikt door gelovige Israëlieten en Joden “over het hele aardrijk… tot een getuigenis voor de volken, en dan zal het einde komen”. Dan zullen ze, voorzegd door de Heer Jezus, in het land Israël zelf “met de steden van Israël geenszins zijn klaargekomen voordat de Zoon des mensen komt”, Mat. 10:23.
Wél zal het dan een wereldwijde missie zijn wat het in de Evangeliën nog niet was. Daar vinden we de Heer Jezus als de Messias, als de Koning die in de eerste plaats kwam voor Zijn eigen volk.

In Handelingen en de rest van het N.T. wordt de komst van het komende Vrederijk zeker niet vergeten, maar wordt steeds uitgelegd hoe het nu zit met dat koninkrijk. Nog komende en anderzijds toch al aanwezig. De boodschap is niet meer: “Bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen”, Mat. 3:2; 4:17, waarop men zich diende te bekeren, liet dopen om daarna de Messias aan te nemen. Zij die de Heer Jezus in de Evangeliën gingen navolgen behoorden in zekere zin al tot Zijn koninkrijk en daarom lezen we bijvoorbeeld in Mark. 4:10, 11 heel mooi over “zij die Hem omringden” en met betrekking tot hen die niet geloofden: “hen die buiten zijn”.
De eerste discipelen werden uiteindelijk de nucleus (kern) van de gemeente. Sinds Handelingen 2 hebben we dan een andere boodschap en eveneens een andere doop, de christelijke doop. Inderdaad een boodschap bevestigt door wonderen en tekenen, maar dat was niet het doel en hun opdracht!
In het begin van de Handelingen zien we dat de apostel Petrus de Joden nog wel verkondigt dat als ze zich (als volk) bekeren, de Heer Jezus zou terugkeren en het Vrederijk zou aanbreken (3:20, 21). Het volk verwerpt dan ook de verhoogde Christus, wat duidelijk tot uitdrukking komt in de steniging van Stéfanus. Daarna zien we de apostel Paulus, de apostel der heidenen, naar voren komen.

De periode van de gemeente eindigt met de opname van die voltallige gemeente en dan zal God dus weer de draad met Israël en de volken opnemen. De gemeente hoort in de hemel thuis (verborgenheid in O.T.) en Israël en de volken zullen na een zevenjarige periode (voorzegd in Daniël) van verdrukking, op aarde worden gezegend onder de Duizendjarige regering van Christus. De Oudtestamentische heiligen zullen met de martelaren uit de verdrukking dan eveneens in de hemelse heerlijkheid zijn.
In Mat. 13:41, 43 kunnen we a) het aardse deel zien als het koninkrijk van de Zoon des Mensen en b) het hemelse deel als het koninkrijk van de Vader, waar de rechtvaardigen zullen stralen als de zon.

Helaas vinden we in de Pinkster- en charismatische beweging nogal eens een veronachtzaming van ethische onderwerpen, zoals de plaats van vrouw en homo in de gemeente, maar ook ten aanzien van schepping/evolutie.

Bekend is de uitleg dat we in Openbaring 2 + 3 de Kerkgeschiedenis vinden, profetisch geschilderd en zelf geloof ik dat Laodicea spreekt van de Pinkster- en charismatische beweging (vgl. Korinthe Brieven), sinds begin vorige eeuw.
Het is een kenmerkende en kernachtige beschrijving die de Heer Zelf(!) geeft van de verschillende periodes. Zie het artikel: De geschiedenis van de christenheid.

Bovenal is van belang: hoe is onze verhouding tot Gods Woord. Als je ziet, leest wat voor een achting bijvoorbeeld Matthew Poole (1624–1679) en John Nelson Darby (1800-1882) voor de Schrift hadden, dan kunnen we velen in onze tijd – in vergelijking met hen – niet Bijbelgetrouw noemen.
De natuur zit fenomenaal in elkaar, maar de Bijbel eveneens! De Bijbel is geen verpakking van Gods Woord, bevat niet Gods Woord, maar IS Gods Woord.

Ouweneel schrijft in z’n laatste boek, ‘Het Israël van God, ontwerp van een Israëltheologie’ (Gideon Academic, 2019), dat hij klassiek-dispensationalistisch is opgevoed, maar dat hij dat allang heeft afgelegd (blz. 94). Mijns inziens was dat klassieke standpunt juist echt Bijbels, tot stand gekomen door Schrift met Schrift te vergelijken.

Hopelijk begrijpt de lezer na het lezen van al het bovenstaande dat het goed onderscheiden van bepaalde zaken in de Bijbel onontbeerlijk is, want anders lopen we vast, halen zaken door elkaar en kunnen het woord der waarheid niet meer goed uitleggen, niet meer recht snijden (II Tim. 2:15) én maken we brokken in de praktijk.

Wél is het belangrijk te zien dat ook binnen deze beweging zich menig ware gelovige bevindt!

Douwe Scheepsma Szn, Deventer 2019 

Aanhalingen komen uit de zogenaamde Herziene Voorhoeve vertaling N.T., Grace Publishing House


[1] Dispensatie is een ander woord voor bedeling.