Bekend zijn de christelijke apologeten uit de tweede eeuw “die het opkomende christendom hebben verdedigd tegen de aanklachten vanwege het paganisme en het jodendom” (Wikipedia).
Nog steeds heb je hen die zich bezighouden met een verdediging, een verantwoording van het christelijk geloof. Het geloof kun je niet bewijzen. Zo kun je niet bewijzen dat God er is en dat Hij de Schepper van hemel en aarde is. Wél kun je stellen dat het niet onredelijk is dat te geloven, dat te veronderstellen. Dus dat het geloof niet tegen de rede (ratio) ingaat!
Zo kan men ook niet bewijzen dat wat er in de Bijbel (Gods openbaring) staat a) niet waar is en b) onredelijk is. Hoewel dat mensen, ja, het mensdom, nu wel wordt wijsgemaakt door de priesters van de nieuwe religie, de wetenschap. Wetenschappelijk gezien is het helemaal niet onredelijk om in God en de Bijbel te geloven.
Het woord verdediging, verantwoording vinden we achtmaal terug in het oorspronkelijke Griekse Nieuwe Testament (de zogenaamde grondtaal; van het Oude Testament is dat het Hebreeuws). Eenmaal wordt dit woord -apologia- gebruikt voor en vertaalt als ‘verontschuldiging’ (in II Korinthe hfst. 7, vers 11), de andere zevenmaal is ‘verdediging, verantwoording’ de correcte vertaling, verwoording van de Griekse tekst (Hand. 22:1, 25:16, I Kor. 9:3, Fil. 1:7+16, II Tim. 4:16, I Petr. 3:15). Van dit Griekse woord is ook de term apologetiek afgeleid. Dit is dus het geloof verdedigen, verantwoorden met redenen, met argumenten. Een argument: je moet wel heel veel geloof hebben om atheïst te zijn…
De bekende filosoof en wiskundige René Descartes (1596-1650) ging uit van zichzelf, van de mens. “Cogito, ergo sum (Latijn), Je pense, donc je suis (Frans), Ik denk, dus ik besta”. Dat was revolutionair in de christelijke wereld van die tijd. Om niet het geloof in God en Zijn Woord als basis te nemen. In dit spoor ging ook de latere bekende filosoof Emmanuel Kant (1724-1804).
De bekende Augustinus (van Hippo, 354-430) stelde iets dergelijks: ‘Als ik me vergis, ben ik’ in Tegen de Academici. Toch is er een wereld van verschil met Descartes z’n uitganspunt, daar bij Augustinus, evenals bij de eveneens bekende Anselmus (1033-1109), het geloof voorafgaat aan het echte kennen. Ze gingen niet uit van de mens, van de ratio.
Zo schreef Anselmus: “het geloof zoekt naar redelijk inzicht” en dat alleen de gelovige de werkelijkheid kent.

De christen en filosoof Alvin Plantinga (1932-) heeft aangetoond dat het niet juist, niet wetenschappelijk waterdicht is, om van het subject uit te gaan en dat we beter uit kunnen gaan van de objectieve realiteit.
Met Augustinus en Anselmus deelt Plantinga de stelling dat geloof ons doet verstaan.
Mijns inziens zouden we kunnen stellen dat de objectieve realiteit bestaat uit (tal van) feiten. Dat kunnen we alleen als we uitgaan van, geloven in het enig, werkelijk bestaande feit: God. God alleen kan zeggen: “Ik ben Die Ik ben”, waarmee Hij zich ook aan Mozes openbaarde (Exodus hfst. 3, vers 14). Hij is de “Ik ben” waaruit, waardoor de feitelijke, objectieve realiteit is voortgekomen. Geen kunstwerk zonder kunstenaar, geen schepping zonder Schepper, geen gevolg zonder oorzaak.
Doorgeredeneerd kun je mijns inziens stellen: het is alles of niets. God of nihilisme. God of wetteloosheid. Die laatste optie zien we steeds meer werkelijkheid worden in onze tijd, onder aanvoering van Gods grote tegenstander. Onder het mom van: jij zelf (het individu) bepaald alles en wie jou niet kan accepteren zit vol haat… Jesaja profeteerde: ” Wee hun die het kwade goed noemen en het goede kwaad; die duisternis voorstellen als licht, en licht als duisternis; die bitter voorstellen als zoet en zoet als bitter” (hfst. 5, vers 20). Zonder daar nu verder op in te gaan: de mens heeft een geweten (gekregen).
Voor een gelovige is kiezen voor niets (zeg maar, nihilisme) niet waardevrij, omdat dat kiezen voor Gods tegenstander inhoudt, kiezen voor zonde.
God is Liefde, maar God is ook Licht. De oplossing voor de ontstane problematiek in deze wereld, sinds Adam en Eva, de zondeval, nog geen zesduizend jaar geleden, is: “Christus en die gekruisigd”. Waardevrije wetenschap is voor schepselen niet mogelijk. Als je jezelf als god, als middelpunt waant…
Terecht stelt prof. dr. Fred van Lieburg dat theologie niet thuishoort aan een universiteit. In academische kringen wordt theologie niet meer gezien als wetenschap. Nu kan men sputteren bij deze trend, maar principieel klopt het. Augustinus, Anselmus leefden in een wereld waarin het niet meer was: kerk of wereld, maar kerk én wereld en dat was geen goede, Bijbelse zaak! In de Middeleeuwen gold de theologie als de koningin der wetenschappen. Duidelijk een weerspiegeling van kerk en wereld! In die zin is het een goede zaak dat sinds de Verlichting het weer kerk of wereld begon te worden… Vele gelovigen zich gingen richten op hun missie in deze wereld.
De Reformatie, het protestantisme ging indertijd helaas ook tegen de staat aanleunen en ermee samenwerken. Een christen hoort zich verre van politiek te houden! Gelovigen hebben een andere missie. De Heer Jezus Zelf liet zich ook niet in met politiek.
God leidde Abram uit de volken en hij en Sara werden tot een volk. Israël woonde later gescheiden van de volken in Gods land. Zo is ook de gemeente van God sinds de Pinksterdag (van Handelingen 2) een volk wat apart moet wonen. “Gaat weg uit hun midden en scheidt u af” (II Korinthebrief. hfst. 6, vers 17) schrijft Paulus. Dat houdt niet in dat christenen geen gezagsgetrouwe, geïntegreerde burgers zijn, volgens de Brief aan Diognetus uit de tweede eeuw. Ze zijn loyale burgers, doch vreemdelingen op aarde: “elk vreemd land is hun vaderland en elk land is hun vreemd” (Wikipedia).
De Heer Jezus zei tegen Pilatus: “Mijn koninkrijk is niet van deze wereld. Als Mijn koninkrijk van deze wereld was, zouden Mijn dienaars hebben gestreden, opdat Ik niet aan de Joden zou worden overgeleverd; maar nu is Mijn koninkrijk niet van hier”, Johannes Ev. hfst. 18, vers 36. In hetzelfde Evangelie zegt de Heer: “Zij zijn niet van de wereld zoals Ik niet van de wereld ben”, hfst. 17, vers14. Gelovigen zijn getrokken “uit de tegenwoordige boze eeuw, naar de wil van onze God en Vader”, Galaten hfst. 1, vers 5.
Zo zie ook ik dus geen middle ground of common ground (middenweg of gemeenschappelijke grond) voor een christen in de wetenschappelijke wereld. Wat natuurlijk niet wil zeggen dat een christen niet naar de universiteit kan gaan om daar b.v. een vak te leren.
We dienen dan ook terug te gaan tot vóór de tijd van Augustinus, tot voor de tijd van bekende keizer Constantijn (273/280-337), toen het nog was: kerk of wereld. Dan komen we in de tijd waarin er verschrikkelijke vervolgingen zijn geweest van de gelovigen. De tijd van de apologeten.
De leer van de apostelen behoort de basis te zijn.
In het Nieuwe Testament vinden we trouwens geen eenmansbediening in de christelijke gemeente, eveneens geen speciale opleiding daartoe. De universiteit voor christenen is Gods Woord en het leven van alledag de praktische leerschool. Voor iedere gelovige, maar ook als iemand op speciale wijze als evangelist, herder en/of leraar bezig wil zijn, zich daartoe weet geroepen. N.B.: de daarnet genoemde gaven aan de gemeente opereren in Gods Woord niet lokaal (plaatselijk), maar binnen de wereldwijde gemeente (Kerk).
Christenen kunnen hun geloof op redelijke wijze, op rationele gronden verdedigen, maar hun argumentatie levert geen bewijzen. In Genesis hfst.1, vers 1 lezen we dat God hemel(en) en aarde schiep. Iedereen kan weten van dé Kunstenaar. Daarom schrijft Paulus in de Romeinenbrief: “omdat wat van God gekend kan worden, onder hen openbaar is, want God heeft het hun geopenbaard – want van de schepping van de wereld af worden wat van Hem niet gezien kan worden, zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, uit zijn werken met inzicht doorzien -, opdat zij niet te verontschuldigen zijn, omdat zij …”, hst. 1, vers 20.
Midden op de Areópagus in Athéne spreekt Paulus over “die Heer van hemel en aarde”… “En Hij heeft uit één het hele mensengeslacht gemaakt om op het hele aardoppervlak te wonen, terwijl Hij de bepaalde tijden en grenzen van hun woonplaats heeft vastgesteld, opdat zij God zouden zoeken, of zij misschien naar Hem mochten tasten en Hem vinden, hoewel Hij niet ver is van ieder van ons. Want in Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij, zoals ook enigen van de dichters onder u hebben gezegd: “want wij zijn ook zijn geslacht”, Handelingen hfst. 17, verzen 26 t/m 28. Hier haalt Paulus enige Griekse dichters aan die dus ook spraken over onze Goddelijke afkomst. Van de christen en classicus dr. G.H. Kramer haal ik het volgende aan uit het tweede deel van zijn Bijbelcommentaar op de Handelingen: “Dit [laatste] citaat is letterlijk te vinden bij Aratus van Soli (in Cilicië!), Phaenomena r.5, en in vergelijkbare woorden bij Cleanthes, Hymne aan Zeus r.4.”, Uitgeverij Medema, Vaassen (2003), blz. 125. In de tijd van deze heidense Grieken -zij leefden in de derde en tweede eeuw v. Chr.- geloofde men dus nog in de goddelijke afkomst van de mens en Paulus sluit daarbij aan.
De woorden “in Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij” zijn wellicht ontleent aan een gedicht van de Kretenzische dichter Epimenides (6de v. Chr.), uit wiens gedicht Paulus ook in de Titusbrief (hfst. 1, vers 12) citeert. Zie genoemd boek van dr. Kramer, blz. 121.
Als we aansluiting zoeken en er aanknopingspunten zijn, kunnen die worden gebruikt. Als je academicus bent, zoals Plantinga, is er wél het grote gevaar dat je als christen concessies gaat doet en Gods eer uit het oog verliest. Je wilt dan door andere academici voor vol worden aangezien, serieus genomen worden. Plantinga is voor de theïstische evolutie gevallen, evenals vele anderen. Als je als gelovige wetenschapper met ongelovige wetenschappers je onder het juk van de wetenschap stelt is concessies doen de enige optie. Voor de ongelovige is dat namelijk geen optie. Paulus schrijft: “En welk deel heeft een gelovige met een ongelovige?”, II Korinthebrief hfst. 6, vers 15.

Herman Dooyeweerd (1894-1977) en Cornelis van Til (1895-1987) kunnen als protestantse christenfilosofen voor christenen verhelderend zijn en eveneens apologetische waarde hebben, maar hebben voor de huidige “tijden der heidenen” (Lukasevangelie, hfst. 21, vers 24) geen maatschappelijke bruikbaarheid. In Israël was er een theocratie en een wereldwijde theocratie is aanstaande, het Millennium, het Duizendjarig Vrederijk.
Als christenen zijn wij Gods volk (koninkrijk) onder de volken, maar wel een hemels volk, hemelburgers, onderdanig aan de overheden op aarde. Hopelijk is het punt wat ik wil maken duidelijk. Thomas Jones van Creaton, een leidende Evangelische geestelijke/predikant in Engeland verklaarde in dat licht: “Politiek is Satans meest verleidelijke en aanlokkelijke lokaas”[1].
We eindigen met de bekende Thomas van Aquino (1224/5-1274). Hij zette helder uiteen dat bewijzen geen optie is. Wel probeerde hij in onder andere z’n bekende Summa Theologiae beredenerend te schrijven over het christelijk geloof. Hij kreeg het werk niet af. Hij zei: “Ik kan niet meer want alles wat ik schrijf lijkt voor mij als stro! ‘Omne foenum’ – ‘alles stro’. Hij was toen nog geen vijftig en stierf een viertal maanden later. Niets meer geschreven. Met name is uit zijn denken en dat van Anselmus de scholastiek voortgekomen. Hij probeerde het christelijk geloof tóch te vermengen met, zeg maar, wetenschap. Aannemelijk te maken. Het wereldbeeld van Kerk en wereld vroeg daar om, maar dat is dus een on-Bijbels wereldbeeld!
Wél maakte ook hij duidelijk dat het geloof niet tegen de rede ingaat, oftewel niet onredelijk is.
“Zonder geloof echter is het onmogelijk [Hem] te behagen; want wie tot God nadert, moet geloven dat Hij is en dat Hij een beloner is van hen die Hem zoeken”,
Hebreeënbrief hst. 11, vers 6.
Geloof is dus nodig, broodnodig. Seculiere filosofen komen er niet uit. Kunnen niet de benodigde duidelijkheid geven. Zonder Jezus Christus, die Zichzelf de Weg en de Waarheid en het Leven noemt (Johannesevangelie hfst. 14, vers 6), lukt dat ook niet. Hij is ook het Brood van het leven (Johannesevangelie hfst. 6, vers 35).
Christenen behoren te getuigen van Christus, zijn Zijn getuigen zoals Christus Zelf op aarde van de Vader heeft getuigd.
Douwe Scheepsma Szn, winter 2025
Aangehaalde teksten uit het Nieuwe Testament komen uit de Herziene Voorhoeve vertaling, Grace Publishing House.
[1] Bebbington, D.W., Evangelicalism in modern Britain, A history from the 1730s to the 1980s, Uitg. Routledge, London and New York, pag. 72
